Door Jan Hilgevoord
Wat ik U ga vertellen is geen wetenschappelijk verhaal en het is ook geen historisch verslag. Het zijn alleen maar wat losse herinneringen. Over de chronologie heb ik mij geen grote zorgen gemaakt; en zelfs niet over de waarheid...
Het eerste Instituut was gevestigd in een oud gebouw aan de Roeterstraat. Het was een voormalige bewaarschool en mijn oom had er nog schoolgegaan. Je kon er in twee minuten omheen lopen, en dan had je nog tijd om de bel te zoeken en aan te bellen. Als je geluk had, dan hoorde je na een paar keer bellen uit de verte holle voetstappen aankomen en werd je binnengelaten door een kleine man in een grijze stofjas of door iemand anders die zich toevallig in de buurt van de voordeur ophield.
In deze kleine bewaarschool bevonden zich nog twee andere instituten! Het Mathematisch Instituut besloeg de gehele bovenverdieping en het Sterrenkundig Instituut had de lokalen ter weerzijden van de ingang. Het rechter lokaal was de
kamer van de sterrenkundehoogleraar, professor Zanstra, een merkwaardige man die overtuigd was van het bestaan van paranormale krachten - want hoe had Einstein anders in z'n eentje zulk onwaarschijnlijk werk kunnen leveren - en die
vellen papier volschreef met automatisch schrift waarbij hij zijn hand liet leiden door diezelfde paranormale krachten. Het resultaat van dit schrijven was opmerkelijk: het zag er prachtig uit, maar het was totaal onleesbaar. Het andere lokaal was dag en nacht geblindeerd en was het domein van een vriendelijke maar uiterst flegmatieke man met een krakende stem die niet geheel ten onrechte luisterde naar de naam Koelbloed. Ik heb in al die jaren nooit enig teken van opwinding bij hem kunnen waarnemen. Koelbloed sleet zijn dagen in het half duister met het uitmeten van sterspectra. De huidige glamour van de Amsterdamse sterrenkunde was toen nog ver te zoeken.
De rest van de benedenverdieping werd in beslag genomen door het Instituut voor Theoretische Fysica; afgezien van een klein hokje, dat het domein was van de huishoudster, juffrouw Peters. Op de directeur na was Juffrouw Peters de persoon met het meeste gezag in het gebouw. Zij was een echte Amsterdamse die, hoewel keurig getrouwd, zich toch het liefst met juffrouw liet aanspreken en weinig ophad met ons politiek correcte 'ge-mevrouw'. Haar reactie, als je met je schoenen op je bureau had gezeten en daarbij zwarte strepen had achtergelaten, was niet mis. Maar ze had een lief karakter en een gemoed dat makkelijk volschoot.
Het Instituut voor Theoretische Fysica bestond uit drie lokalen waarvan het middelste was verdeeld in twee delen. In het ene deel bevonden zich de bibliotheek en de sectretaresse, in het andere de eerste assistent Jan van Kranendonk en later Eddie Cohen. De hoogleraar had een eigen lokaal en in het derde lokaal, dat het dichtst bij de voordeur lag, zaten de studenten. Je kon in die tijd niet zomaar theoretische natuurkunde gaan studeren. Als je goede cijfers had voor je kandidaatsexamen, en als je de wens om theorie te doen met voldoende kracht naar voren had gebracht, dan werd je bij professor de Boer ontboden. Die probeerde je dan in een indringend gesprek van je voornemen af te brengen, daarbij wijzend op de moeilijkheid en lengte van de studie en het geringe toekomstperspectief. Jan de Boer had het Instituut net opgericht en hij voelde er niets voor om lukraak studenten op te leiden in een vak waarin ze later waarschijnlijk geen droog brood zouden kunnen verdienen. Dit was een typisch voorbeeld van zijn sociale verantwoordelijkheidsgevoel. Was je eenmaal toegelaten dan hoorde je er ook bij en kreeg je een plaats in het studentenlokaal toegewezen waar je iedere dag geacht werd aanwezig te zijn.
Dat lokaal was het hart van het Instituut. Een van de lange kanten werd in beslag genomen door een lang schoolbord. Dat bord was onze trots. Niemand had zo'n lang bord. Niemand had ook zulke lange formules als wij. De studenten zaten aan bureautjes langs de overige wanden. Iedereen had toen nog een ouderwetse schooltas die hij naast zijn bureautje op de grond zette en het verschijnsel van symmetrie-breking heeft toen reeds tot heftige discussie geleid omdat een onnozele nieuweling, tot ieders ontzetting, zijn tas 's morgens aan de verkeerde kant van zijn bureau had gezet. In het midden van het lokaal stonden vier tegen elkaar geschoven tafels. Daaraan at men de gezamenlijke lunch uit van huis meegebrachte opvouwbare broodtrommeltjes. En tijdens de seminaria werden de tafels uiteengeschoven en voor het lange bord geplaatst. Die wekelijkse seminaria werden geacht de basis te vormen van onze opleiding en bijwonen ervan was absoluut verplicht. De sfeer was vaak levendig en het kwam niet zelden voor dat tegelijk met de spreker nog een of twee anderen van de aanwezigen op een vrij hoekje van het bord hun visie op het onderwerp ten beste gaven. Maar ik heb er ook heel wat uren van mijn jonge leven verdaan met het uitzitten van eindeloze voordrachten waarvan ik al na vijf minuten niets meer begreep en een duidelijke tijdslimiet kende ons seminarium helaas niet. Ik heb toen de wet ontdekt dat, hoe minder je van een voordracht begrijpt, hoe meer tijd de spreker er voor uitgetrokken heeft.
De oorlog was nog maar kort geleden. De bewoners van de omgeving van de Roeterstraat waren in de oorlog weggevoerd en vermoord en de huizen waren in de hongerwinter inwendig gesloopt. Iedereen had zijn oorlogsherinneringen. Sommigen van de ouderen hadden in het verzet gezeten of in het kamp, en sommigen hadden hun hele familie verloren. Maar over dat verleden werd vrijwel niet gesproken. Iedereen was nog bezig te verwerken wat hij had meegemaakt. We waren gericht op de toekomst; een toekomst die ons veelbelovend toescheen.
Bij de studie was er veel vrijheid en weinig studiedruk. Moderne studieboeken waren zeer schaars. We beschouwden het als een voorrecht om te mogen studeren en we genoten daar ten volle van. Vergeleken met toen is de universiteit werkelijk onherkenbaar veranderd. We hadden weinig geld, en zelfs de meeste professoren hadden geen auto. Ik herinner me nog goed dat de latere hoogleraar Johan van der Waals, die toen nog bij Shell in Amsterdam werkte, ons meenam in zijn auto om naar de colleges van Wigner in Leiden te gaan. Die colleges zijn beslissend geweest voor de richting die ik later ben ingeslagen. Er was nog geen TV en ook nog geen pil. Wel verschenen in die tijd de eerste langspeelplaten maar die waren onbetaalbaar. In die tijd was de bioscoop Kriterion net opgericht om werkstudenten aan een baantje te helpen. De oorspronkelijke inrichting van de zaal bestond uit heel simpele houten stoeltjes, helemaal in de stijl van die tijd toen vele studenten een boekenkastje hadden van lege op elkaar gestapelde sinaasappelkistjes. 's Middags werden er in de
bioscoopzaal grammofoonplaten gedraaid waarnaar je gratis kon komen luisteren. Ik herinner me dat de musicoloog Bertus van Lier, een groot kenner van de liederen van Schubert, de zojuist uitgekomen langspeelplaat van Die Winterreise zou draaien. Maar de plaat was niet gearriveerd, en om ons niet teleur te stellen heeft Bertus van Lier toen de liederen maar zelf gezongen. Zonder begeleiding en met een ongeschoolde stem maar onvergetelijk.
Er waren uiteraard geen computers. Het magazijn van het Instituut bevatte niet veel meer dan potloden, papier, doorslagpapier en vlakjes, en meer hadden we ook niet nodig. Iemand vroeg me laatst of ik het verschil wist tussen een
experimenteel fysicus, een theoretisch fysicus en een filosoof. Ik wist het natuurlijk niet. Welnu, zei hij, een experimenteel fysicus is steeds maar bezig met de aanschaf van dure equipment, en als-ie die heeft dan wil hij nog betere. Een theoretisch fysicus daarentegen heeft genoeg aan een potlood, papier en een prullenmand. En een filosoof heeft zelfs die prullenmand niet nodig.
Het magazijn van het Instituut bevatte dus potloden, vlakgum en papier. Maar er was toch ook nog iets anders. Als je tot de oudere garde behoorde dan had je recht op een bureau-puntenslijper. Dat is zo'n apparaat dat je op je bureau kunt vastzetten. Er zit een slinger aan en een doorzichtig bakje waarin het slijpsel zich verzamelt en dat je kunt leeggooien als het vol is. Als je op het Instituut zo'n puntenslijper eenmaal had dan kon je toekomst bij wijze van spreken niet meer stuk. Voorzover ik weet is iedereen met zo'n puntenslijper later hoogleraar geworden.
We hadden geen tekstverwerkers en dus verbruikten we liters Tipp-Ex en meters opplakbare correctie-stroken, waardoor het papier kromtrok en je manuscript steeds zwaarder werd. Secretaresses waren in die tijd meer dan goud waard en tegen de tijd dat je ging promoveren was een goede relatie met de secretaresse aanzienlijk belangrijker dan een goede relatie met je promotor. Ik vraag me weleens af wat er van de huidige fysici terecht zou komen als ze geen tekstverwerkers hadden. Professor Casimir vertrouwde mij een paar jaar geleden toe dat hij de stap naar de computer niet meer had meegemaakt. "Daar ben ik te oud voor", zei hij. "Maar", voegde hij er aan toe,"het schijnt héél handig te zijn".
Studenten die theoretische natuurkunde deden hoefden in die tijd de hoofdtentamens quantummechanica en statistische mechanica niet af te leggen; je werd geacht dat zelf wel te leren omdat je anders het seminarium niet kon volgen. Wij vonden dat natuurlijk geweldig, maar of het nu ook werkelijk zo'n goed idee was weet ik nog altijd niet. Je kon net zoveel tijd aan een onderwerp besteden als je zelf nodig achtte en andere onderwerpen kon je geheel verwaarlozen. Een studieduur van acht jaar voor theoretische natuurkunde was toen heel gewoon.
In 1949 kwam Sieg Wouthuysen naar Nederland als nieuw benoemde lector en later als hoogleraar theoretische fysica. Een groter tegenstelling dan tussen hem en Jan de Boer is moeilijk denkbaar, maar ze vormden een perfect team. Samen hebben zij de unieke sfeer bepaald van het Instituut in de vijftiger jaren. Sieg had de gewoonte als hij over iets college moest geven om dat onderwerp zelf van de grond af aan op te bouwen. Leerboeken gebruikte hij vrijwel niet, die waren er ook nog nauwelijks. Hij vertelde me een keer vol onbegrip over Dirac, die, toen hij op het idee kwam dat Poisson-haakjes het klassieke pendant zijn van de quantummechanische commutatoren, het uitwerken van dit briljante idee uitstelde tot hij ergens in een boek kon opzoeken hoe een Poisson-haakje er ook alweer uitzag. Sieg begreep dat niet: "Dat reken je toch zèlf even uit!". Hij gaf het college electriciteitstheorie: dat was drie jaar lang drie uur in de week. Het mondelinge tentamen begon 's morgens en ging door na de lunch. En als er om vijf uur nog onzekerheid bestond of de kandidaat het vak wel voldoende beheerste, dan werd het tentamen de volgende dag rustig voortgezet. In die tijd had Sieg een baard à la Tini Veltman. We wisten beslag te leggen op een foto waarop die baard er nog niet was. Deze twee foto's werden op het eerstvolgende Sinterklaas-colloquium vertoond als "Professor Wouthuysen vóór en ná het tentamen".
De natuurkundigen waren in die tijd veel meer betrokken bij het wereldgebeuren en de politiek dan tegenwoordig. De fysici hadden de oorlog met de atoombom beslist en hun prestige was torenhoog. Nu voelden zij zich ook verantwoordelijk voor het handhaven van de vrede. De discussie ging over de vraag of de waterstofbom wel of niet ontwikkeld moest worden en vooral over de relatie met de Sovjet-Unie. In de Verenigde Staten waren de meningen zeer verdeeld. Sieg voelde zich hier zeer bij betrokken. Hij was gepromoveerd bij Oppenheimer en kende veel van de antagonisten van dit debat persoonlijk. Evenals vele andere fysici in die tijd was hij actief in het Pugwash Comité. Daarin probeerden fysici uit de hele wereld contact met elkaar en met politici te leggen om zo het gevaar van het uitbreken van een kernoorlog te verminderen.
Om Sieg onderdak te verschaffen op het Instituut werden er twee kamers bijgebouwd op de binnenplaats en omdat Sieg zich veel bezighield met spinoren en een ware virtuoos was in het rekenen daarmee, kreeg deze aanbouw de naam Het Spinorium. Bij de inwijding van het Spinorium liepen we allemaal als bij de polonaise in een rij achter elkaar door de gangen met voorop Wim Hermans met zijn viool.
De UvA was in die tijd gemeente-universiteit en de gemeenteraad besloot om alle wetenschappelijke assistenten ambtenaren te maken. Wij voelden ons hierdoor een beetje beledigd. Eddie Cohen, sinds jaar en dag hoogleraar aan het Rockefeller Institute in New York, nam in die tijd de telefoon aan met de woorden: "U spreekt met de ambtenaar zèlf." We vielen nu dus ook in de pensioenregeling. Professor de Boer drong er bij ons op aan gebruik te maken van de mogelijkheid om de jaren dat je assistent was geweest 'in te kopen' zodat je later meer pensioenjaren had. Wij vonden dat te gek voor woorden. Wij waren jong en droomden van een schitterende carrière in de fysica, bewonderd door de hele wereld en omringd door prachtige vrouwen. Over je pensioen nadenken leek ons pervers. Maar Jan was ouder en vooral wijzer en hij begreep meer van het leven dan wij. Daarom voelde hij zich verantwoordelijk voor ons. Ik denk dat menigeen hem hiervoor later heel dankbaar is geweest.
Een absoluut dieptepunt in ons bestaan op het Instituut was wat het best omschreven kan worden als de 'koffie-oorlog'. Enkele verdwaalde geesten waren niet meer tevreden met de koffie die juffrouw Peters om 11 uur schonk. Zij maakten om 11 uur zelfNescafé, daarmee juffrouw Peters tot in het diepst van haar ziel verwondend. Met betraande ogen vroeg zij mij, die haar trouw was gebleven, wat er in hemelsnaam mis was met haar koffie. Gelukkig is later alles weer goedgekomen. Pas als iedereen met zijn koffie aan de grote tafel zat werd professor de Boer geroepen en dan konden de diepzinnige gesprekken beginnen, over de politiek, over de verkiezingen, en over het geloof. De discussies tussen de katholieke Hans van Leeuwen en de godsloochenaar Rien Offerhaus over de Onbevlekte Ontvangenis dan wel de Maagdelijke Geboorte van Maria zal menigeen zich heugen. Rien was een aartsprovocateur en hij werd daarbij ten zeerste geholpen door zijn meer dan keurige uitspraak die hij met duidelijk genoegen accentueerde. Tijdens een lunch had professor de Boer een keer geen brood bij zich. Iemand anders bood hem een boterham met salami aan. De professor rook er eens aan en keek toen bedenkelijk. Waarop Rien er meteen uitflapte: "Wat De Boer niet kent dat vreet hij niet". Iedereen was vreselijk geschokt maar Jan glimlachte alleen maar heel vriendelijk.
Juffrouw Peters was als een moeder voor ons. Iedere theoreticus heeft perioden waarin hij zeker weet dat hij veruit de domste persoon op aarde is, en waarin hij het moment vervloekt waarop hij in een vlaag van hovaardij besloot theoretische natuurkunde te gaan doen. Als juffrouw Peters je dan zo terneergeslagen zag rondlopen dan begonnen haar moederlijke gevoelens te spreken en dan werd je door haar opgebeurd met de woorden: Ach, ach, is het weer zo ver, niet huilen hoor, ze moeten jou maar gauw perfester maken. Zo'n mens was dat.
Mijn medebewoner van het Spinorium was, behalve Sieg, Henk van Dam. Henk had een zeer snel en scherp verstand. Over de resultaten van ons werk had hij een simpele mening. Er waren slechts twee mogelijkheden: of het was allemaal onzin, of het was triviaal. Ondanks deze ontmoedigende visie is Henk toch later hoogleraar aan de University of North Carolina geworden en hij heeft samen met Wigner belangrijke artikelen gepubliceerd.
We deden veel in Instituutsverband: We gingen samen naar Galilei van Brecht en naar Wim Kan, en ook naar het Atomium in Brussel waarbij in de berm van de weg thee werd gedronken met behulp van de kampeerspullen van professor de Boer. En als er ijs was maakte het gewone seminarium plaats voor een gezamenlijk schaatsseminarium. We reden dan langs de Boerenwetering naar de Poel in Amstelveen om onderweg aan te leggen bij het ouderlijk huis van Rien Offerhaus waar we werden getracteerd op erwtensoep. Een van deze schaatsseminaria herinner ik mij nog goed. We hadden op het Instituut een Amerikaanse gast, Zef Salzburg. Zef had nog nooit geschaatst maar hij wilde de Nederlandse folklore graag meemaken. Schaatsen waren in die tijd nog van hout en ze werden met bandjes onder je schoenen vastgebonden. Dat maakte het leren schaatsen een stuk moeilijker dan het nu is. Zef had grote problemen met de bandjes van zijn geleende schaatsen maar hij wilde niet opgeven. Hij heeft zeker negen tienden van het traject afgelegd, schuivend op zijn schoenzolen, met de schaatsen als zijwaarts uitstekende vleugeltjes aan zijn voeten. Ik had diep respect voor Zef. Dat was mijn eerste kennismaking met de American Spirit.
In diezelfde tijd ben ik ook eens in Instituutsverband letterlijk door het ijs gezakt in de Bijlmer, toen nog een landelijk gebied. Hans van Leeuwen had toen al schaatsen met schoenen. Terwijl hij nog moeizaam bezig was met zijn veters, zag hij mij al op mijn houten schaatsen wegzwieren over de nog geheel maagdelijke ijsvloer. Toen zag hij tot zijn verbazing hoe deze ijsvlakte op de plaats waar ik mij bevond een grote kuil begon te vertonen waarin ik langzaam wegzakte. Er bleek daar een warmwateruitlaat te zitten van een bedrijfje. Ik had het inmiddels ook gemerkt en probeerde weg te komen, maar ik zakte vlak bij de kant door het ijs. Druipend vervoegde ik mij bij een boerenwoning die daar stond. Mijn aanbellen had slechts tot gevolg dat er even een gordijn bewoog, maar er werd niet opengedaan. Uiteindelijk kwam er uit een belendend huisje een vrouw. Die zei, wijzend op de dichte deur: "Zij daar doet toch niet open, ze laat je heus niet binnen want ze heeft net de boel aan kant. Kom maar even bij mij in de keuken om je te warmen, mijn man is net even weg, maar zodra hij eraan komt moetje meteen wegwezen!" Ik ben niet blijven plakken! Dit speelde zich af op een plek waar nu de Bijlmerflats staan.
De vijftiger jaren waren niet zonder dramatische gebeurtenissen: de oorlog in Korea en in Indochina, de watersnoodramp in Zeeland, de Hongaarse opstand. De wetenschappelijke wereld was nog klein. De Duitse wetenschap was weggevaagd en de rest van Europa was in wederopbouw. In die tijd werden belangrijke initiatieven genomen. De FOM werd opgericht in 1946, ZWO in 1949. Jan de Boer werd voorzitter van het IKO in de Watergraafsmeer en Cor Bakker, de toenmalige directeur van het Zeemanlab, werd in 1953 de eerste directeur van CERN.
Het is niet mijn bedoeling om diep in te gaan op het wetenschappelijk werk op het Instituut en ik zal ook de namen niet noemen van de mensen die er in die tijd hebben gewerkt en waarvan ik een aantal hier al tot mijn vreugde heb mogen begroeten. Kernfysica was toen belangrijk en op het Instituut werd daaraan ook gewerkt. Sieg Wouthuysen was vooral geïnteresseerd in fundamentele symmetrie-groepen. Maar de belangrijkste lijn was het onderzoek waarmee Jan de Boer al voor de oorlog was begonnen, namelijk het onderzoek van quantumeffecten op de eigenschappen van vaste stoffen, vloeistoffen en gassen, en met name de bijzondere eigenschappen van vloeibaar He II. Het idee van Bose-Einsteincondensatie speelde daarbij een centrale rol. Een tweede, meer persoonlijke lijn, was de enorme betrokkenheid van Jan de Boer bij het internationale overleg over de namen en symbolen van fysische grootheden en over het stelsel van eenheden. Dit onderwerp heeft hem altijd bijzonder geboeid en zijn werk op dit gebied over vele jaren in internationale commissies heeft hem grote waardering opgeleverd. Hij was een zeer systematische werker die alles nauwkeurig bijhield. Hiertegenover had Sieg meer weg van een vlinder die, gefascineerd door de schoonheid van de theoretische natuurkunde, onrustig van bloem naar bloem fladdert op zoek naar hoger honing.
Jan de Boer was duidelijk de baas van het Instituut, zijn Instituut, zonder dat hij die rol nadrukkelijk speelde. Maar als er iets was of als er iets gedaan moest worden had hij de zaak meestal al doordacht en voor zichzelf uitgemaakt wat het beste was vóórdat wij ermee werden geconfronteerd. En omdat Jan in practische zaken zeer adequaat opereerde legden wij ons makkelijk, en misschien soms te makkelijk, bij zijn leiding neer. Kortom, Jan was een echte vaderfiguur die alles regelde en dit riep zo nu en dan de bekende reacties op bij de 'zonen'. Achteraf ben ik de manier waarop Jan het Instituut leidde pas echt goed gaan waarderen en ik ben blij dat ik hem dit hier, bij deze gelegenheid, kan zeggen. Ons Instituut
was, in de allereerste plaats, een erg menselijk Instituut.
Ik wil afsluiten. Als ik terugkijk naar de tijd van het oude Instituut dan denk ik dat het een unieke periode was omdat ook de hele universiteit toen totaal verschillend was van nu. Het onderwijs was niet zo efficient, de studie duurde te lang, de vrijheid was te groot. Maar studeren was een voorrecht èn een opwindende ervaring. Niet om zo vlug mogelijk een goed betaalde baan te krijgen, maar als essentiële fase in je persoonlijke ontwikkeling. Ik denk dat velen met weemoed aan die vriendelijke tijd zullen terugdenken. Als ik de sfeer aan het Instituut van toen in één zin zou moeten karakteriseren dan zou ik zeggen, met excuus aan de enkele meisjes die er ook waren: "jongens waren we, maar aardige jongens".
Ik dank u wel.
Naschrift
Mijn voorbehoud in de aanhef aangaande de waarheid bleek niet geheel overbodig. Volgens sommigen bracht Bertus van Lier een pianist mee, Marius Flothuis, en hoewel van Lier geen zanger was, was zijn stem niet echt ongeschoold. Maar dat het onvergetelijk was, daarover is iedereen het eens.